Mijn directe collega, met wie ik al heel lang samenwerk, vertelde dat ze een andere functie krijgt. Natuurlijk gun ik haar dat van harte, maar ik ben ook verdrietig. We zijn heel verschillend, maar toch ook erg hetzelfde. We vullen elkaar perfect aan en ik ben erg op haar gesteld geraakt in de afgelopen jaren. We hebben aan één blik genoeg en kunnen samen enorm lachen zonder dat iemand anders snapt wat er zo grappig is. Een andere fijne collega zal haar werk overnemen, maar ik ga haar enorm missen.
De nacht nadat ze het me verteld had, lag ik, groggy van de migrainemedicatie, in bed. Bij een migraineaanval schieten mijn gedachten, door de kortsluiting die de migraine in mijn hoofd veroorzaakt, oncontroleerbaar alle kanten op. Het zijn heftige nachten waarin er heel veel gedachten voorbij razen. Soms reëel, vaak totaal onrealistisch. Ik weet niet meer precies hoe en wat, maar die collega popte steeds op in mijn gedachten.
Toen ik wat meer uit de aanval kwam en mijn gedachten weer vastere vorm aannamen, besefte ik dat ik bang was geweest. Bang dat het aan mij lag. Dat ik iets gedaan had waardoor ze een andere functie wilde. Dat had ze helemaal niet gezegd. Ze had verteld dat ze het plezier in haar werk een beetje kwijt was en dat deze uitdaging op haar pad kwam. Mijn overprikkelde brein negeerde dat volkomen en haalde het enorme twijfelbeestje dat in mij leeft, ruw uit zijn slaap. Met die angst tot gevolg.
Dat twijfelbeestje heb ik meestal redelijk onder controle. Gedachten die beweren dat iets aan mij ligt, dat ik iets toch niet kan of niet weet of dat ik gewoon te dom ben om deze functie überhaupt uit te voeren, heb ik voor het grootste deel leren negeren. “Gedachten zijn als scheten,” zegt Jelle Hermus in zijn boek Leven met wind mee. “Waarom scheten? Gewoon, omdat ik heb gemerkt dat er een luchtje aan zit. Bovendien zijn gedachten net zo vluchtig en ongrijpbaar.” Kort samengevat zegt Hermus: jij bent niet je gedachten, jij bent datgene wat de gedachten waarneemt. Sinds ik er op die manier naar probeer te kijken, is het twijfelbeestje in mijn hoofd meestal rustig.
Baal ik dat mijn collega weggaat? Als een stekker! Maar ik zou me nog veel ellendiger voelen als ze die stap niet gezet zou hebben “omdat wij zo’n leuk team zijn”. Je moet je eigen leven leuk maken en als je merkt dat je ergens ongelukkig van wordt moet je actie ondernemen. Dat is de reden dat ik weer ben gaan schrijven. Het was niet dat ik mijn werk niet leuk vond, maar ik miste iets. Ik zocht het eerst in vrijwilligerswerk bij de bibliotheek. Toen kwam corona.
Aan het begin van de coronacrisis heb ik het plezier in schrijven hervonden. Op 18 maart 2020 zette ik “Slag om het toiletpapier” online. Aanvankelijk noemde ik mijn columns nog consequent “Schrijfsels”. Je hoort het twijfelbeestje in dat woord. Sinds een tijdje dwing ik mezelf om de stukken tekst die ik op mijn blog plaats, column te noemen. Na zes jaar schrijven en zeker nu ik met een cursus columns schrijven bezig ben, vind ik dat ik dat moet doen. Ik vind het best eng, want als het columns zijn ben ik dus een columnist. Dat is nogal wat. Ik heb het twijfelbeestje terug naar zijn slaapplek gestuurd met de mededeling dat ik geen professionele columnist ben, maar dat ik het misschien niet zo slecht doe als hobby-columnist.
Dankzij het schrijven heb ik gevonden wat ik miste. Het maakte mijn leven veel leuker. Ik hoop dat mijn collega in haar nieuwe functie ook vindt wat ze nu mist. Lieve collega, ik ga je missen, maar gelukkig verhuis je maar twee kamers naar links. Wanneer drinken we samen koffie?


0 reacties